aanmelden
Bashelden V: Ronnie Lane, Peter Quaife en meer
Blog 28-11-2017 00:00

Ronnie Lane & Peter Quaife

In de jaren zestig was de rol van bassist niet echt gewild. Volgens McCartney was de bassist altijd 'de dikke jongen op de achtergrond'. De bas - zeker de contrabas - was vaak slecht hoorbaar in zalen door een slechte PA en slecht hoorbaar op de plaat door primitieve opnamemethodes. Maar toen kwamen de Amerikanen.

The Beatles, The Small Faces, The Kinks, The Animals, The Stones  en The Who. Ze luisterden allemaal naar de Amerikanen en de studiotechnici van Stax en Motown kregen de bas wél dik op de plaat. De mannen met de witte jassen in Olympic of Abbey Road bepaalden hoe alles moest klinken en het verhaal dat een testpersing van The Who werd afgejeurd vanwege de rare geluiden, is een bekend geluid. Die rare geluiden, of feedback, zouden binnen no time niet meer weg te denken zijn uit de gitaarmuziek. Waar de mannen in stropdassen en witte jassen geen rekening mee hadden gehouden was de eigenwijsheid van Clapton die zijn versterker keihard zette, Pete Townshend die sessiegitarist Jimmy Page aan de kant schoof omdat hij zelf zijn opnames wel in kon spelen of een nieuwe generatie engineers als Glyn Johns, die niet vies was van een geluidsexperiment met zijn artiesten.

En dan de bas die op Motownplaten wél hoorbaar was. Macca en de Beatles-engineers deden een hoop voor de opname-emancipatie van de bas en zo medio jaren '60 kwam ie opeens dik en luid door de speakers. DI's, betere microfoons, speakers als microfoons, een andere mindset en durf van de engineers zorgden ervoor dat de bas steeds meer een gelijkwaardige partij werd, in plaats van wat gerommel op de achtergrond. Natuurlijk werden versterkers beter, bassisten haalden de dempers van hun Fender's en Entwistle ging met Rotosound aan de slag om de moderne roundwound bassnaar te ontwikkelen, maar dat laatste was er pas in '66!

The Ox en Macca hebben hun eigen basheldenblog, maar er zijn meer van die bassisten die gebruik maakten van de nieuw verworven ruimte op vinyl. Ik ben zeker niet iemand die vindt dat vroeger alles beter was en ik zeg al helemaal niet dat er tegenwoordig geen goede muziek meer wordt gemaakt, want dat is onzin. Er wordt en zeer veel goeds gemaakt en we hebben op spotify zo ongeveer alles ter beschikking. Maar ik moet niet afdwalen. Vroeger was niet alles beter, maar ik denk dat eind jaren zestig, begin jaren zeventig de gouden dagen waren voor de bas in de pop-/rockmuziek. Het leek even of alle creativiteit er uit móest, om langzaam weer terug te vallen in grondnoten en achtsten. Natuurlijk zijn er zat moderne spelers die melodieus spelen en een nummer 'maken', zoals Flea's melodieuze spel of John Stirratt in Wilco die later in een heldenblog voorbij komt. Voorbeelden van Macca en Entwistle vind je ook in aparte blogs, maar denk ook eens aan The Animals: We Gotta Get Out Of This Place! Denk eens aan het fijne loopje in Hey Joe van Hendrix: was dat Chas Chandler of Hendrix zelf? Chas hoor je natuurlijk ook op de net genoemde Animals-song. 

Natuurlijk waren al deze bassisten beïnvloedt door een paar echte bashelden: Duck Dunn van STAX en Jamerson van Motown. Dan trouwens een gouden tip tussendoor: We kennen Ron Wood natuurlijk als gitarist van The Stones en The Faces, maar zijn baswerk bij Jeff Beck is het luisteren waard.  

Peter Quaife
Peter Quaife was misschien niet de meest virtuoze van het stel, maar wel de coolste. Op en top 'mod'. Google eens op afbeeldingen en je ziet hem met de beste jasjes en broeken, met de coolste Rickenbacker- en EB3-bassen, op mod-scooters met een overschot aan spiegels en hij had natuurlijk het beste kapsel. Een stijlicoon dus. Maar onderschat zijn baswerk ook niet. Mijn favoriete album is The Kinks Are The Village Green Preservation Society. Een masterclass in songs schrijven. Ieder nummer klopt, ieder nummer is geheel anders, ieder nummer heeft een kop, een staart, een brug en is onder de drie minuten! Een meesterwerk, bestaande uit kleine meesterwerkjes. Quaife zal er niet mee de geschiedenis ingaan als virtuoze topbassist, maar zijn spel is fijn. Soms country-achtig, vaak gewoon achtsten, maar in het refrein hoor je loopjes die vaak met de melodie meegaan en hier en daar is er zelfs wat distortion op de bas. Voor die tijd bijzonder. Quaife is melodieus, doeltreffend en altijd goed hoorbaar, hoewel je merkt dat de opnametechniek in die tijd toch minder was. Je hoort bepaalde noten luider dan andere, wat ook wel weer een bepaalde charme heeft. Dat kan ook een beetje aan de bas en de versterker hebben gelegen. 

Kweeef

Plonk
Ronnie Lane, oftewel Plonk, is een ander verhaal. Later in The Faces was hij een perfecte duelpartner voor de gitaarlicks van Ron Wood en de Wurlitzer-/Hammondpartijen van Ian McLagan. Alleen voor het intro van Stay With Me verdient ie al een ereplek in de Basgalerij Der Groten. En pak dan eens een liveversie van McCartney's Maybe I'm Amazed door The Faces. Hij volgt de lijn van de meester, maar hij voegt zoveel toe. Hij stuwt de boel met zoveel power en melodie, waarbij de hele hals van de Zemaitis-bas gebruikt wordt. En wat een dikkke sound heeft die Zemaitis! Dan het zangstukje in duet met Rod Stewart. Prachtig als hij met een lachje even uit zijn rol valt.

Voor deze blog zet ik Tin Soldier van The Small Faces nog eens op. Wat mij betreft de beste popsong allertijden. Waarom dat zo is, ga ik hier niet uitgebreid vertellen, maar het is de tekst en vooral de hele opbouw van het nummer. Denk aan de 'verdubbeling' van het tempo in het begin, de diverse climaxen, PP Arnold - een ex-Ikette die we later ook met Roger Waters en Ocean Colour Scene zullen horen) op achtergrondzang, de formidabele Steve Marriott - de beste blanke soulzanger ooit? - en het drumeinde van Kenn(e)Y Jones. Maar de bas. Het begint met wat langere noten op de Harmony-bas, die overgaan op iets drukker spel als de drums verdubbelen. Dan komen de lange noten in het couplet, het stuwende in het refrein en de smaakvolle licks. Let eens op de hoge noten aan het einde van de break, het melodieuze loopje tussen break en tweede couplet. Alles is supersmaakvol, super doordacht of gedaan door en een natuurtalent.

Dan hebben we nog Song Of A Baker. De baslijn in het tweede gedeelte van de solo is natuurlijk wel schaamteloos gejat van - daar istie weer - Chas Chandler in Hey Joe. Of was het Hendrix zelf? Die noemde Steve Marriott trouwens zijn favoriete gitarist.

Song Of A Baker komt van het meesterwerk Ogden's Nut Gone Flake. Ook daarop is veel moois te horen, waarbij Plonk altijd in dienst staat van de muziek. Bij het titelnummer is één herhalende noot genoeg, terwijl je op songs als Long Agos And Worlds Apart en Hapiness Stan juist weer mooie melodieén kon horen. De lekker springerige lijn in Rene danst overal doorheen, terwijl het einde met de herhalende nooit weer een krachtig statement is.

Plonk

Ik ben meer Small Faces- dan Faces-liefhebber, hoewel de laatste band pareltjes heeft. Tegenover de rockers van Wood, Stewart en McLagan stonden prachtige folksongs als Debris, geschreven door Lane. Hij was naast bassist ook een geweldig songwriter en gitarist met een mooie, breekbare stem, die prachtig bij die folksongs passen.

Chris Dekker